Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AX2466

Datum uitspraak2006-05-09
Datum gepubliceerd2006-05-18
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Assen
Zaaknummers19.810158-04
Statusgepubliceerd


Indicatie

De straf die de rechtbank zal opleggen is lager dan door de officier van justitie is geeist. Een wezenlijke factor in dit verband is het feit dat de rechtbank een aanmerkelijk kortere pleegperiode bewezen acht.


Uitspraak

RECHTBANK ASSEN STRAFVONNIS van de Meervoudige kamer in de zaak van het openbaar ministerie tegen: [naam verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, wonende [adres verdachte]. Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 25 april 2006. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D. Moszkowicz, advocaat te Maastricht. De officier van justitie mr. J. Hoekman acht hetgeen is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen: * oplegging van een gevangenisstraf van 15 maanden; * beslissingen ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen. 1. TENLASTELEGGING De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat hij op verschillende tijdstippen, althans op een tijdstip in of omstreeks de periode van 1 december 2000 tot en met 7 december 2004 in de gemeente Emmen, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of voorhanden gehad, (grote) hoeveelheden hennep (tenminste ongeveer 63 kilogram) en/of hasjiesj (een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd)(tenminste ongeveer 12 kilogram), in ieder geval meer dan 30 gram hennep en/of hasjiesj (een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd), zijnde hennep en/of hasjiesj (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging. 3. BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 augustus 2004 tot en met 7 december 2004 in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met een ander, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd, grote hoeveelheden hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II. De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. De verdachte zal van het meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. 4. KWALIFICATIE Het bewezen verklaarde levert op: Medeplegen van in de uitoefening van beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, telkens strafbaar gesteld bij artikel 47 Wetboek van Strafrecht jo. Artikel 11 lid 3 van de Opiumwet. 5. STRAFBAARHEID De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht. 6. STRAFMOTIVERING De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking: - de aard en de ernst van de gepleegde feiten; - de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan; - hetgeen de rechtbank is gebleken omtrent de persoon van de verdachte; - het requisitoir van de officier van justitie; - het pleidooi van de raadsman van verdachte; - de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 8 december 2004, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van een misdrijf is veroordeeld. De straf die de rechtbank zal opleggen is lager dan door de officier van justitie is geëist. Een wezenlijke factor in dit verband is het feit dat de rechtbank een aanmerkelijk kortere pleegperiode bewezen acht. De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf geboden is. 7. MOTIVERING VAN DE MAATREGEL ONTTREKKING AAN HET VERKEER De rechtbank acht de hierna te vermelden in beslag genomen voorwerpen vatbaar voor onttrekking aan het verkeer aangezien met behulp van deze voorwerpen het bewezen verklaarde feiten zijn begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. 8. TOEPASSING VAN WETSARTIKELEN De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 36b, 36c, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING VAN DE RECHTBANK De rechtbank verklaart bewezen dat het tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar. De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot: - een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren De rechtbank beveelt, dat de voorwaardelijk opgelegde straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, - een taakstraf bestaande uit 120 uren werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid met bevel dat, voor het geval de verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast; De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren arbeid per dag voor de in verzekering doorgebrachte dagen. De rechtbank verklaart onttrokken aan het verkeer de navolgende in beslag genomen voorwerpen: 04207249 1 1.00 STK Weegschaal Kl:zwart GRAM precision electrisch 04207249 2 1.00 STK Overige onbenoembaar Kl:goud - versnijsetje in blauw hoesje 04207249 4 2.00 STK Overige onbenoembaar Kl:blauw nr. D1301-02.1 2 weegveren, 1 groen en 1 blauw 04207249 5 1.00 STK Wapen Kl:zwart nr. D2100.3 wapenstok 04207249 6 8.00 DS Doos Kl:bruin PHILIPS son T+ nr. D3001.1 dozen met tot. 192 lampen 04207249 7 1.00 STK Ventilator Kl:grijs SYSTEMAIR nr. D3001.2 plastic 04207249 8 1.00 STK Filter Kl:grijs nr. D3001.3 filter voor flex.slang 04207249 9 1.00 STK Pepperspray Kl:zwart CS-EUROGAS Trilliarde nr. P5 Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.A.M. van Veen, voorzitter en mr. N.R. Boonstra en mr. G. Kaaij, rechters in tegenwoordigheid van mr. Y. Kikkert, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 09 mei 2006, zijnde mr. Kaaij buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.